Als je begint met het bijhouden van je vakantieverhalen, hoop je natuurlijk dat er ook een spannend verhaal opgeschreven gaat worden. Een interessant verhaal voor feesten en partijen. Oog in oog met een jaguar, een anaconda in je bed of een onverwachte ontmoeting met kannibalen. Leuke avonturen die interessant zijn als je ze verwerkt op de bank in het regenachtige Nederland met een warme kop thee, wetende dat je het overleefd hebt. Op het moment zelf heb je liever geen puma in je afritsbroekpijp hangen en schorpioenen mogen van mij part ook liever buitenshuis blijven. Een brute straatroof hoort natuurlijk bij Brazilixeb, maar dat wij dat nou mee moesten maken…
Ik werd vanochtend wakker met een kater die Salvador heet. Het is hier nog steeds warm en de stad valt ons nog steeds zwaar. Het is niets persoonlijks, maar het ligt aan ons. Wij zijn niet fit, wij
hebben
het even gehad en wij smachten naar wat meer rust (lees: natuur en avontuur). En avontuur kregen we. In ons fijne boekje stond de ‘Bonfimkerk’. Een kitscherige kerk in het noorden van de stad, waar je een lintje om je pols geknoopt krijgt. Aangezien heel Salvador hiermee loopt en we natuurlijk wel wilden dat men kon zien dat wij ook in deze stad geweest waren we wel gexefnteresseerd waren in deze kerk en de wijk eromheen, ondernamen we een busreis die kant op. Een directe lijn en we gingen in xe9xe9n keer goed. We klommen de bult op voor de kerk en al gauw viel ons op dat de kerk zelf niet zo heel bijzonder in z’n soort is. Het speciale aan dit bouwsel zijn de lintjes die aan de deur hangen en de mannetjes (en vrouwtjes) die met de lintjes voor de kerk staan. De lintjes waaiden mee in de wind en maken elke lelijke ‘verkoper’ tot een waar kunstwerk. Lintje nummer xe9xe9n werd omgeknoopt bij mij. Embranca do senhor do Bonfim da Bahia. Terwijl een jonge knul deze twee keer om mijn pols draaide en er drie knopen inlegde, deed ik een wens. Dit had ik gelezen. In het Portugees vertelde hij me dat de wens pas uit zou komen als het lintje vanzelf af zou vallen. Ik denk in ieder geval dat hij dit zei, maar gelukkig had ik het bewuste ANWB-boekje gelezen en was ik goed op de hoogte. Met een wit lintje om mijn arm kon ik de hele wereld aan. Even in ieder geval.
We keken wat rond in de kerk, zagen mensen bidden, schoten wat foto’s met ons prachtige camera. Terwijl vriendlief uitpufte op een kerkbankje (met een wat grieperig gevoel een berg opklimmen in extreme hitte is geen pretje), liep ik een rondje rond de kerk en potretteerde Salvador met onze geweldige lenzen. Dichtbij, veraf, wat een uitvinding!

We trippelden van de kerk naar beneden richting een fort. Dit fort, zo stond in het boekje, was al twee keer in handen van de Nederlanders gevallen. We grapten dat dit nog best een keer kon gebeuren en zogen de omgeving in ons op. We kwamen langs een ziekenhuis en moesten onze benen tegen houden. Door de steile wegen wilden zij sneller dan wij van plan waren. Ondanks dat op sommige plekken het asfalt opgengebroken was en we dus goed op moesten letten waar we liepen, keken we ook veel omhoog. Dat moet als je je omgeving in je opzuigt. Ik zag sportschoenen die (voor de gein?) aan telefoon- en elektriciteitskabels waren opgehangen. Ik gniffelde hierom, terwijl het fort in beeld kwam. Het fort stak wit af tegen de blauwe lucht. Ik waande me in historische sferen en genoot van het uitzicht. We maakten kiekjes en betaalden een paar centavos om in het museumpje bovenin het fort te kijken.
Na drie schilderijen en het achterlaten van een plasje maakten we een plan de campagne. Nog naar een ander museum? Naar het strand? Ergens een hapje eten? We besloten om naar een ander museum te gaan in het centrum. Hier zouden we met de bus sowieso weer langskomen. We lieten het fort voor wat het was en liepen richting bus. We gingen naar een andere halte dan waar we uitgestapt waren, omdat we tenslotte ook in een ander deel van de wijk zaten.
We namen een rustig straatje dat parallel liep aan het strand. Aan het begin van de straat liepen we langs de achterkant van strandtenten. Vervolgens ging dit over in een woonwijk, temidden van onder andere makelaarskantoren. De stoep was niet zo breed en ik liep achter vriendlief. Vriendlief droeg de rugzak, waar hij net zijn grote fototoestel in opgeborgen had. Het fototoestel van vriendlief vergezelde mijn kleine fototoestel. Nimmer namen we ze allebei mee, maar in Salvador leek ons dat handig. Op plekken waar we ons veilig voelden konden we de grote gebruiken. Op plekken waar het wat drukker en onveiliger was, het kleintje. Handig toch!?
Ik sjokte achter vriendlief aan en keek naar een jongen die ons aan de rechterkant passeerde. Opvallend, want zo breed was de stoep niet en daar komt bij dat die Brazilianen niet zo snel lopen.
De jongen greep met twee handen naar de rugzak die over de schouder van vriendlief hing. Nu gebeurt het! was mijn eerste gedachte. K*t, de twee fototoestellen! dacht ik vervolgens. Al snel was ik er van overtuigd dat die tas me niets interesseerde, maar dat we nu aan onszelf moesten denken.
‘Laat die tas alsjeblieft gaan, lief!’ schreeuwde ik in paniek. In de ogen van de jongen zag ik dat hij niet zomaar zou stoppen. Hij stompte tegen vriendliefs schouder. Vriendlief bleef volhouden. Ik had de tas al lang opgegeven, hij niet. Hij trok en schreeuwde. Ik schreeuwde ook en dit werd nog heftiger toen de jongeman zijn arm om de nek van vriendlief deed. Een wapen had hij niet, maar voor hetzelfde geld zouden zijn vrienden komen om hem te helpen. Misschien hadden die wel wapens! Mijn paniekerig geschreeuw overtuigde vriendlief ervan om de tas toch los te laten.
Nu is onze tas weg! Wat nu? Ik rende achter vriendlief aan, die achter de jongeman aanrende. Ik hoorde een motor starten en deuren werden opengetrokken. Al die foto’s! Rio de Janeiro, de watervallen, de kaaimannen! De mensen die ook de achtervolging inzetten, waren voor mij op dat moment alleen maar een dreiging. Deze zouden de jongeman vast helpen. Al snel merkte ik dat dit niet het geval was. De rennende optocht werd alleen maar langer. Terwijl vriendlief nog hard bleef rennen, liep ik hijgend en puffend over een plein. Een man met zwarte krullen kwam naar mij toe. In mijn versnelde pas, kon hij me met moeite bijhouden.
‘What’s going on?’ vroeg hij me in het Engels. Gelukkig iemand die Engels kan! Ik zag op het plein dat een heleboel mensen zich aansloten bij ons. Op een schoolplein draaide een grote groep jongens zich onze kant op en zette een sprint in.
‘Two fototoestels!’ kon ik alleen maar uitbrengen in half Engels en half Nederlands. Ik had op dat moment geen idee hoe dit af zou gaan lopen. Zou vriendlief de dader al hebben? Zouden we onze spullen nog terug krijgen? Zouden al deze mensen ons helpen? Zouden de jongens van het schoolplein niet alleen maar rennen, omdat ze misschien de bus moesten halen?
Ondanks dat ik in niet-begrijpelijk Engels vertelde wat de buit was van de jongeman, kon de krullenbol me toch begrijpen en begeleidde me richting strand. Een pukkelende puber kwam naar me toe met onze rugzak! Thank god! Helaas was deze wel leeg. Hij wilde me deze tas graag verkopen. Ik griste hem uit zijn hand en op dat moment snauwde de krullenbol de pukkelende puber waarschijnlijk toe dat het mxedjn tas was.
Voor mij was het een uitgemaakte zaak: de dief was vast met de inhoud van de tas een huis ingevlucht en die waren we kwijt. Ik sjokte het strand op en zag dat er ruim honderdvijftig mensen op het strand verzameld waren. Sensatiebelust? Helden?
‘Is that the guy who stole you’re bag?’ Ik keek naar de plek waar de krullenbol naar wees. In de zee stond een jongen in een wit t-shirt. Hieromheen stonden meerdere mensen met stokken in de hand. Gelukkig, ze hebben hem!
Een meisje kwam naar me toe met mijn opschrijfboekje. Een endje verder zag ik onze zonnebrandcreme, een petje en hxe9t ANWB-boek. Ik keek nogmaals richting onze jongeman die dit keer geslagen werd met de stokken. Ik liep nog tien meter en daar stond vriendlief. Hij poetste zijn camera, die hij godzijdank weer terug had.
‘En de andere camera?’ Terwijl ik dit vroeg, stak hij zijn hand in zijn zak en haalde mijn kleine fototoestel te voorschijn. De Brazilianen, die toch wel sensatiebelust bleken, adviseerden ons foto’s te maken van het schouwspel dat gewoon doorging in de zee. Ik wilde niet dat onze jongeman met stokken geslagen werd, laat staan dat ik er foto’s van wilde hebben. De een na de ander kwam bij ons om zijn of haar excuses aan te bieden. Ze voelden zich zxf3 schuldig, terwijl ik me juist opgelaten voelde dat ruim honderdvijftig man zich voor ons opofferden. Ik bleef ze maar bedanken, terwijl ik me zorgen maakte over de jongeman die flink verwond werd in de zee. Ik was blij dat ze hem ‘hadden’, maar dat ze nou voor eigen rechter zouden moeten spelen…
‘Can they stop now?’ krijste ik panisch. ‘Stop! Stop!’ Ik weet niet of ze me hoorden en me verstonden, maar ze stopten wel. De jongeman werd ‘geboeid’ uit het water gehaald. Een toevallig passerende schoonmaker gaf hem nog een rechtse. Druipend van het zoute water en bebloed van het geweld dat hem was aangedaan, was het laatste beeld dat ik van deze jongeman had. De buurtbewoners gaven ons de tip om de buurt zo snel mogelijk te verlaten. Wat de reden hiervan was wist ik niet en weet ik nog steeds niet. De jongeman hielden ze goed vast, dus die kon niet veel meer kwaad. Ik vond het vervelend om al onze helden te verlaten, ze hadden tenslotte zoveel voor ons gedaan. Ik bleef ze maar bedanken en met z’n tweexebn liepen we richting bushalte. De bushalte waar we eigenlijk al eerder hadden willen zijn. Aangezien de gehele buurt op het strand stond, was het de weg richting bushalte erg rustig. We overspoelden elkaar met het avontuur dat we zojuist beleefd hadden en de adrenaline liet ons stuiteren door de straten. Ik vertelde vriendlief dat de krullenbol een journalist was en dat hij had verteld dat dit hier best vaak gebeurde. Vriendlief vertelde dat hij water had gekregen van een aardige vrouw. Zaken die er eigenlijk helemaal niet toe doen, maar die we op dat moment toch even kwijt moesten. We ratelden maar door, zonder waarschijnlijk echt goed naar elkaar te luisteren. Als we het verhaal maar kwijt waren.
Bij de bushalte kwamen er steeds meer mensen onze kant op. We waren de enige (witte) toeristen in de buurt, dus iedereen wist ook dat wij de slachtoffers waren. Mensen spraken ons in het Portugees aan. We lachten lief en bedankten deze mensen ook nogmaals.
De eerste bus lieten we aan ons voorbij gaan. Het was niet de juiste bus en we waren er ook nog niet aan toe om al richting centrum te gaan. Dat was maar goed ook, want een paar minuten later kwam er een auto van de militaire politie aanrijden. Een buurtbewoner wees de agenten de twee witte slachtoffers.
‘Welcome to Brasil!’ grapte de jongste agent die ons te woord stond met een meterlang wapen in de hand. We gaven aan dat we alles hadden, behalve een lenskapje en dat wij ook in orde waren. Ze hielden de volgende bus aan, informeerden de agent en liet ons instappen.
Plotsklaps waren we weg van de buurt des onheils. In de bus bleef ik mensen bedanken. De buschauffeur liet ons uitstappen in het centrum, waar we over zouden moeten stappen op de bus richting Barra. Dat tweede museum lieten we vandaag maar achterwege. Tijdens de overstap bekeken we onze camera’s eens goed. Op de kleine camera bleek bloed te zitten. Met hygixebnische doekjes die we tijdens onze vlucht hadden gekregen poetsten we de camera. SOA’s en hepetitis waren nog nooit zo dichtbij. Ik bleef maar poetsen terwijl we de volgende bus instapten.
In Barra verdienden we wel een dikke vette magnum. We kleedden ons om en namen onze rugzak mee naar het strand. Dit keer zonder paspoorten, fototoestellen en geld. Vanaf nu zou Brazilixeb nooit meer hetzelfde zijn. Nooit meer veilig. Het strand was de plek waar we erachter kwamen dat we ook de sultana’s kwijt waren.
Gelukkig gaan we morgen weer het binnenland in…